De meeste beginnerslijsten beginnen met kleuren, dieren en fruit. Die zijn makkelijk te illustreren, vandaar dat ze les worden — maar ze zijn bijna nooit wat je nodig hebt in je eerste echte gesprek.
Functiewoorden dragen de zin
In elke taal doet een handvol woorden het meeste werk: en, maar, dit, dat, met, voor, niet, heel, omdat. Ze zijn onopvallend en niet te tekenen, dus worden ze overgeslagen. Leer er dertig en de woordenschat die je al hebt gaat aan elkaar hechten. Zonder ze heb je een stapel zelfstandige naamwoorden; met ze heb je zinnen.
Kies werkwoorden die je dagelijks gebruikt
Willen, nodig hebben, hebben, gaan, komen, maken, zeggen, weten, kunnen, denken. Deze tien werkwoorden dekken een enorm deel van gewone spraak, en de meeste zijn onregelmatig — reden om ze vroeg te leren, niet laat. Koppel elk werkwoord aan de twee of drie zelfstandige naamwoorden waarmee je het echt zou gebruiken. “Ik heb water nodig” is meer waard dan het woord water alleen.
Toets de lijst aan je eigen leven
Een goede eerste honderd is persoonlijk. Leer je voor werk, dan staan vergadering, sturen, deadline erop. Leer je om te reizen, dan staan kaartje, links, rechts, hoeveel erop. Schrijf de laatste vijf dingen op die je vandaag hardop zei in je eigen taal. Vertaal die. Dat is een betere startlijst dan welke generieke lijst ook.
Honderd zo gekozen woorden dragen een eenvoudig gesprek. Honderd woorden fruit en dieren niet.