Wat A1, B2 en C1 werkelijk betekenen

De zes niveaus worden overal geciteerd en vrijwel nergens uitgelegd. Hier staat wat elk betekent in termen van wat je werkelijk kunt, en niet in de taal van beoordelingscriteria.

A1 en A2: overleven

Op A1 kun je jezelf voorstellen, eenvoudige vragen stellen en langzame, heldere spraak begrijpen die tot jou gericht is. Een gesprek tussen twee anderen volgen lukt niet. Op A2 red je je in routinesituaties: boodschappen, de weg vragen, bestellen, wat woorden over je achtergrond. Genoeg om comfortabel te reizen, niet genoeg om een vriend te maken.

B1 en B2: het bruikbare midden

B1 is het eerste niveau waarop de taal echt nuttig wordt: je handelt de meeste situaties af, beschrijft ervaringen en houdt een gesprek gaande zolang niemand je opjaagt. Op B2 kun je in de taal werken en sociaal zijn. Je volgt moedertaalsprekers die onderling praten, verdedigt een standpunt en leest bijna alles met het woordenboek in de buurt in plaats van in de hand. Wie zegt vloeiend te zijn, bedoelt meestal B2.

C1 en C2: gemak en precisie

C1 betekent dat je zelden naar woorden zoekt, impliciete betekenis oppikt en de taal soepel voor professionele doelen inzet. Van B2 hierheen komen duurt zo lang als alles daarvoor samen. C2 is geen moedertaalniveau. Het betekent precisie en gemak in vrijwel alle situaties, ook subtiele en onbekende. Heel wat moedertaalsprekers zouden een C2-examen in hun eigen taal niet halen.

De niveaus liggen niet even ver uit elkaar

A1 naar A2 kan een paar maanden kosten. B2 naar C1 kan jaren kosten, want elk niveau beslaat ruwweg twee keer zoveel terrein als het vorige. Daarom voelt vooruitgang in het begin snel en later gletsjertraag, en daarom zegt het vergelijken van jouw maanden met andermans niveau vrijwel niets.

Gebruik de niveaus om te beschrijven waar je staat, niet om te meten hoe snel je zou moeten gaan. Het gaat erom of je kunt doen waarvoor je de taal wilde.

Scroll naar boven