Je eerste week met een nieuwe taal

De eerste week gaat meestal op aan een app kiezen, video’s kijken over leren, en kleuren stampen. Niets daarvan overleeft het contact met een echt gesprek. Hier is een week die dat wel doet.

Dag een en twee: klanken en het schrift

Leer hoe de taal geschreven wordt en hoe de letters klinken. Gebruikt ze een ander schrift, begin er dan nu aan — uitstellen betekent eerst de verkeerde uitspraak leren en die later afleren. Zeg vanaf dag één alles hardop. Stil studeren bouwt een leesgewoonte op en een spreekblokkade.

Dag drie en vier: de overlevingszinnen

Hallo, alsjeblieft, dank je, sorry, ik begrijp het niet, kun je dat herhalen, ik ben aan het leren, hoe zeg je dit. Tien complete zinnen, uit je hoofd, hardop gezegd tot ze automatisch gaan. Die dragen een echte eerste uitwisseling. Grammatica helpt je hier niet en woordenlijsten evenmin.

Dag vijf en zes: jij, in vier zinnen

Bereid voor hoe je zegt wie je bent, waar je vandaan komt, wat je doet en waarom je de taal leert. Alle vier worden je in elk eerste gesprek gevraagd, voor altijd. Neem jezelf op terwijl je ze zegt. Luister één keer, repareer het ergste en ga door.

Dag zeven: gebruik hem slecht

Zeg iets tegen een echt mens, of tegen een tutor, of hardop tegen jezelf over je eigen dag. Het wordt mager en dat is het punt: het doel van week één is bewijzen dat taal produceren mag. Bepaal daarna je vaste dagelijkse moment voor week twee. De gewoonte, niet de inhoud, is waar de eerste week echt voor dient.

Sla de kleuren, de dieren en de grammaticatabellen over. Klanken, tien zinnen, vier feiten over jezelf en één daad van spreken — dat is een eerste week waarop je kunt bouwen.

Scroll naar boven